Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AT2987

Datum uitspraak2005-03-04
Datum gepubliceerd2005-04-01
RechtsgebiedHandelszaak
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Arnhem
Zaaknummers122844
Statusgepubliceerd
SectorVoorzieningenrechter


Indicatie

Eisvermeerdering hoeft in kort geding niet altijd schriftelijk.


Uitspraak

Rechtbank Arnhem Sector civiel recht Zaak-/rolnummer: 122844 / KG ZA 05-40 Datum vonnis: 4 maart 2005 Vonnis in kort geding in de zaak van [eiseres], wonende te Boxmeer, eiseres bij dagvaarding van 10 februari 2005, procureur mr. E.C.N. Amory, advocaat mr. J.A.J.M.I. van Laake te Mill en Sint Hubert, tegen [gedaagde], wonende te Nijmegen, gedaagde, advocaat mr. B.F.M. Bos te Nijmegen. Het verloop van de procedure Eiseres heeft gedaagde ter zitting in kort geding doen dagvaarden en gevorderd als weergegeven in de dagvaarding. Eiseres heeft ter zitting mondeling haar eis vermeerderd - waartegen gedaagde zich heeft verzet - in die zin, dat het gevorderde straatverbod dient te worden uitgebreid met de Stiemensweg te Gennep voor de periode tot en met juni 2005. Gedaagde heeft geconcludeerd tot weigering van de gevorderde voorzieningen. De advocaat van eiseres en de advocaat van gedaagde hebben de zaak bepleit, eerstgenoemde overeenkomstig de door hem overgelegde pleitnotitie. Daarbij hebben zij producties in het geding gebracht. Ten slotte is vonnis bepaald. De vaststaande feiten 1. Partijen zijn op 16 april 2003 te Nijmegen in algehele gemeenschap van goederen gehuwd. 2. Bij beschikking van de rechtbank Den Bosch van 7 mei 2004 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Tot op heden is deze beschikking nog niet ingeschreven. Het geschil 1. Eiseres vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad: a. gedaagde zal verbieden zich voor de duur van een jaar na betekening van het in deze te wijzen vonnis op te houden in de straat Geelgors te Boxmeer, en tot en met juni 2005 in de straat Stiemensweg te Gennep; b. gedaagde zal verbieden voor de duur van een jaar na betekening van het in deze te wijzen vonnis contact op te nemen met eiseres, mondeling (waaronder telefonisch) zowel als schriftelijk; c. eiseres zal machtigen om, indien gedaagde het onder a en/of b vermelde verbod overtreedt, deze overtreding(en) te doen beëindigen met behulp van de sterke arm; d. gedaagde zal veroordelen, indien hij het onder a en/of b vermelde verbod overtreedt, tot betaling van een dwangsom van € 500,- per overtreding, tot een maximum van € 20.000,-, met de bepaling dat, indien gedaagde na overtreding van het verbod de verschuldigde dwangsom na daartoe te zijn gemaand, niet binnen 24 uur betaalt, het vonnis uitvoerbaar zal zijn bij lijfsdwang voor de duur van ten hoogste acht dagen; e. gedaagde zal veroordelen in de kosten van het geding. 2. Eiseres legt aan haar vordering ten grondslag dat gedaagde haar zowel tijdens het huwelijk als na het moment waarop de echtscheiding is uitgesproken meerdere malen (ernstig) heeft mishandeld en bedreigd met de dood en anderszins. Ondanks het feit dat gedaagde herhaalde malen is gewaarschuwd, is hij hiermee doorgegaan. Gedaagde is bovendien verboden contact te zoeken met eiseres. Ook hieraan heeft hij zich niet gehouden. Gelet hierop, alsmede op de ernst van de bedreigingen en de hardnekkigheid daarvan, is het gerechtvaardigd dat aan gedaagde een straat- en contactverbod wordt opgelegd zoals is gevorderd. 3. Gedaagde voert gemotiveerd verweer waarop, voor zover van belang, hierna zal worden ingegaan. De beoordeling van het geschil 1. Gedaagde stelt dat eiseres met betrekking tot de vermeerdering van eis in haar vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard nu deze eisvermeerdering niet schriftelijk bij akte is ingediend. 2. De voorzieningenrechter verwerpt dit verweer. Weliswaar bepaalt artikel 130 lid 1 Rv - dat in beginsel ook op de kort geding-procedure van toepassing is - onder meer dat eiser bevoegd is zijn eis schriftelijk, bij conclusie of akte ter rolle, te vermeerderen, maar deze bepaling geldt in kort geding slechts voor zover zij niet onverenigbaar is met de aard van het kort geding en de daarin vereiste spoed. In het onderhavige geval moet er voorshands van worden uitgegaan dat de relatie tussen eiseres en gedaagde ernstig is verstoord. Uit het verhandelde ter zitting is in voldoende mate gebleken dat eiseres er belang bij heeft dat aan die gespannen situatie spoedig een einde komt. Het spoedeisend belang bij de gevraagde voorzieningen is daarmee gegeven en staat aan toepassing van artikel 130 lid 1 Rv in de weg. Bovendien is gedaagde ter zitting verschenen en ziet de vermeerdering van eis slechts op uitbreiding van het (reeds bij dagvaarding) gevorderde straatverbod met één straat, zodat de eisen van een goede procesorde zich ook niet verzetten tegen toelating van de mondeling ter zitting gedane eisvermeerdering. 3. Op grond van de inhoud van de dagvaarding en het verhandelde ter zitting is voldoende duidelijk geworden dat de relatie tussen partijen ernstig is verstoord en dat eiseres geen contact meer wenst te hebben met gedaagde. Dit laatste heeft de advocaat van eiseres bij brief van 25 november 2004 ook aan gedaagde medegedeeld. Vast staat echter - immers door gedaagde ter zitting erkend - dat gedaagde na 25 november 2004 toch nog op verschillende manieren contact heeft gezocht met eiseres. Zo heeft hij haar meerdere sms-jes gestuurd, laatstelijk op 12 februari 2005. Ook heeft gedaagde op 14 februari 2005 zonder goede reden de stageplaats van eiseres in Gennep bezocht. Voorshands geoordeeld heeft gedaagde hiermee onrechtmatig jegens eiseres gehandeld. Het gevorderde contactverbod zal daarom in voege zoals hierna aan te geven worden toegewezen. 4. Wat betreft het gevorderde straatverbod wordt het volgende overwogen. Vaststaat dat dit verbod inbreuk maakt op het in verdragen en wetten vastgestelde (grond)recht van gedaagde om zich vrijelijk te bewegen. Voor toewijzing van een dergelijke maatregel moet in hoge mate aannemelijk zijn dat er feiten en omstandigheden zijn die zo’n inbreuk op zijn rechten kunnen rechtvaardigen. Voorshands geoordeeld heeft eiseres onvoldoende aannemelijk gemaakt dat gedaagde op dusdanige (ontoelaatbare) wijze inbreuk heeft gemaakt op haar persoonlijke levenssfeer dat het opleggen van een straatverbod is gerechtvaardigd. Eiseres heeft haar stellingen, tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door gedaagde, onvoldoende - met bijvoorbeeld daartoe relevante stukken - onderbouwd. Zo is onvoldoende komen vast te staan dat gedaagde heeft gereden in en/of door de straat waar eiseres woonachtig is. Evenmin is vooralsnog gebleken van mishandelingen en/of bedreigingen door gedaagde aan het adres van eiseres. Het gevorderde straatverbod zal derhalve worden afgewezen. Het enkele feit dat gedaagde eenmaal op de stageplaats van eiseres is geweest, maakt, hoewel gedaagde daar niets had en heeft te zoeken, het voorgaande niet anders. 5. Aan het hierna op te leggen contactverbod zullen dwangsommen worden verbonden, die echter aan een maximum zullen worden gebonden als hierna te melden. Voor het toestaan van het zware dwangmiddel van lijfsdwang ziet de voorzieningenrechter op dit moment geen aanleiding. 6. Nu partijen thans nog echtelieden zijn, zullen de kosten van dit kort geding worden gecompenseerd. De beslissing De voorzieningenrechter: 1. verbiedt gedaagde gedurende één jaar vanaf het tijdstip van betekening van dit vonnis contact op te nemen met eiseres, mondeling (waaronder telefonisch en dus ook per sms) zowel als schriftelijk; 2. veroordeelt gedaagde om, ingeval hij na betekening van dit vonnis bovenstaand contactverbod overtreedt, aan eiseres een dwangsom te betalen van € 50,- per keer dat hij dit verbod overtreedt, tot een maximum van € 5.000,-; 3. machtigt eiseres om zonodig met behulp van de sterke arm van politie en/of justitie voornoemd contactverbod ten uitvoer te leggen; 4. compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij haar eigen kosten draagt; 5. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad; 6. weigert het meer of anders gevorderde. Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.B. Boonekamp en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. M. van Gameren op 4 maart 2005. de griffier de rechter